paragraph
standard_text
Een majeure depressieve stoornis komt voor bij 5-10% van de palliatieve patiënten, maar is vaak omkeerbaar.
collapsed_text
Oorzaken
- Situationeel: onvermogen om gevoelens te delen (gebrek aan vertrouwensrelatie, taboe, sociale isolatie), angst gerelateerd aan de aandoening/behandeling, gedachten over verleden/toekomst, ongerustheid ivm familie/financiële toestand, onvolledige of tegenstrijdige informatie, verlies van autonomie.
- Ziektegerelateerd: hardnekkige symptomen (pijn, ongemak, angst), hypercalcemie.
- Behandelingsgerelateerd: radiotherapie, chemotherapie, antihypertensiva, benzodiazepines, fenothiazines, corticosteroïden, amfotericine B.
- Andere: genetische voorbeschiktheid, hypothyroïdie.
Evaluatie
Men spreekt van een majeure depressieve episode (DSM-V) wanneer men 5 van onderstaande symptomen heeft, gedurende minstens 2 weken, waarvan minstens 1 van de eerste 2 symptomen.
- Depressieve stemming meer dan de helft van de dag.
- Verminderde interesse/plezier in de algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL).
- Meer dan 5% gewichtsverandering in 1 maand.
- Veranderde eetlust.
- Slapeloosheid of slaapzucht.
- Psychomotorische agitatie of vertraging.
- Vermoeidheid, energieverlies.
- Gevoel van waardeloosheid.
- Schuldgevoelens.
- Verminderd denken.
- Gebrekkige concentratie.
- Besluiteloosheid.
- Doodsgedachten.
- Suïcidaal.
Depressie, beginnende dementie en beginnend delirium vallen moeilijk te onderscheiden. Alle drie karakteriseren zich o.a. door sociale teruggetrokkenheid, weinig concentratie en een beperkte gedachtengang.
standard_text
Behandeling
previous
next