Pijnmedicatie bij palliatieve aandoeningen

Submitted by ejacobs on Fri, 04/24/2020 - 09:44
paragraph
standard_text

Hoe dien je het juiste medicijn toe?

collapsed_text

Oraal

Behandeling van chronische pijn bij voorkeur oraal toedienen. 

  • Even efficiënte pijncontrole als via i.v. of i.m. injectie.
  • Pijnstilling komt bij de eerste toediening iets trager op gang.
  • Betere impact op de levenskwaliteit van de patiënt (blijft mobiel, zelfstandig, kan zelf de dagdosis aanpassen en ziekenhuisopname is niet nodig).
  • Let wel: Iets hogere dosissen nodig dan via injectie.

Op het juiste tijdstip

  • Een medicament met een werkingsduur van 4 uur om de 8 uur toedienen is onlogisch. 
  • Creëer geen pijnvrije periodes gevolgd door episodes van pijn, waardoor het chronisch probleem in een vicieuze cirkel geraakt. De pijn valt zo steeds moeilijker te behandelen en de patiënt verliest het vertrouwen in een potentieel werkzaam medicijn. Bovendien wordt er daardoor ook te snel naar een krachtiger middel gegrepen.
  • Wanneer de exacte werkingsduur niet gekend is volstaat het om de bijsluiter te lezen.

Aan de juiste dosis

  • De meeste niet-opioïden kennen een maximaal werkzame dosis. Zij hebben een ‘plateau-effect’: vanaf een bepaalde dosis krijgt men geen betere pijnstilling meer bij hogere dosis maar treden vooral de neveneffecten meer op de voorgrond. 
  • Bij de meeste chronische en palliatieve ziekten neemt de pijn niet af. Een aanpassing van medicatie is vooral een verhoging van de dosis. Wanneer men pijncontrole kan bereiken op een andere, niet-medicamenteuze manier zoals door bestraling van pijnlijke botmetastasen kan men uitzonderlijk de dosis pijnstillers opnieuw reduceren of minstens op hetzelfde niveau houden. 
  • Om de basisprincipes van pijnbestrijding wereldwijd te doen accepteren introduceerde de Wereldgezondheidsorganisatie het concept van de ‘pijnladder’.
standard_text

Belangrijk

collapsed_text

De patiënt moet niet altijd pijnvrij zijn

•    Tracht niet de patiënt volledig klachtenvrij te krijgen met meer bijwerkingen als gevolg.
•    Het niveau van verlichting van de symptomen wordt door de patiënt bepaald.
•    Het gevoel van zelf controle te kunnen houden verbetert het zelfbeeld en zelfrespect.

Lichamelijk onderzoek blijft belangrijk

  • Omgaan met chronische pijnpatiënten is balanceren tussen voldoende empathie en het deskundig toepassen van kennis en vaardigheden.
  • Blijf aandacht geven aan het lichamelijk onderzoek van de patiënt.
  • Patiënten voelen op die manier dat ze “in hun geheel” belangrijk blijven voor de zorgverlener.

Pijnbestrijding berust niet enkel op medicijnen

•    Iets waarvan de patiënt denkt dat het helpt en hem geen schade berokkent is nuttig.
•    Blijf steeds empathisch, alert en creatief.

Aandacht voor culturele verschillen

Culturele verschillen kunnen invloed hebben op de perceptie van de effectiviteit van medicatie, voorkeuren voor bepaalde soorten pijnbehandeling en de mate van therapietrouw.

  • In veel westerse culturen is er een sterke voorkeur voor farmaceutische pijnmedicatie. Aan de andere kant geven mensen in sommige niet-westerse culturen de voorkeur aan natuurlijke of traditionele remedies, zoals kruiden, acupunctuur of specifieke traditionele praktijken.
    Bevraag actief het gebruik van alternatieve medicatie zonder hierover te oordelen. Sommige alternatieve medicatie kan een negatieve impact hebben op reguliere medicatie.
  • Leg goed uit welke medicatie kan gebruikt worden, waarom en wat de patiënt en de omgeving mag verwachten.
  • Soms hebben patiënten het gevoel dat ze niet serieus worden genomen als hen paracetamol wordt voorgeschreven. Benadruk dat het een effectieve pijnstiller is.
  • Veel mensen hebben problemen met het gebruik van morfine. Leg zo vroeg mogelijk – liefst wanneer de situatie nog niet acuut is – uit wat morfine doet en niet doet. Stel gerust dat bij een oordeelkundig gebruik ervan, de patiënt het bewustzijn niet verliest. Goede voorlichting kan het wantrouwen over morfine wegnemen.
  • Ga na wat de opvattingen van de patiënt zijn, geef aan die te respecteren en bespreek wat mogelijke consequenties hiervan zijn in de behandeling.

Om passende ondersteuning te bieden aan mensen met diverse achtergronden is respectvol en open bevragen steeds een goed idee.
Benader ieder persoon als een individu en niet als een vertegenwoordiger van een cultuur of religie.

standard_text

Vormen van pijn

collapsed_text

Nociceptieve pijn

  • Schade door chemische, mechanische (druk) en thermische (warmte, koude) prikkels
  • Huid, bindweefsel, spieren of bot zijn aangetast.
  • Scherpe, kloppende pijn.
  • Goed gelokaliseerd.
  • Reageert goed op paracetamol, niet-steroïdale anti-inflammatoire drugs.

Viscerale pijn

  • Gaat uit van de inwendige organen.
  • Doffe, drukkende of krampende pijn.
  • Slecht te lokaliseren.
  • Reageert goed op opioïden.
collapsed_text

Neuropathische pijn

  • Ontstaat wanneer het zenuwstelsel zelf beschadigd is.
  • Stekende, brandende pijn, soms gepaard gaande met gevoelsstoornissen.
  • Huidaanraking vaak pijnlijk: hyperesthesie.
  • Reageert minder goed op de klassieke pijnstillers.
  • Vaak zijn bijkomende co-analgetica nodig.
standard_text


De pijnladder

 

Adjuvantia of hulpstoffen

Pijnstillers kunnen op elke trap van de pijnladder ondersteund worden door zogenaamde adjuvante medicatie. De ‘hulpstoffen’ verbeteren ofwel het effect van de pijnstiller – daarom ook nog co-analgetica genoemd – ofwel verminderen ze de nevenwerkingen ervan zoals laxativa, antibraakmiddelen, psychostimulantia.